Welke behandeling werkt het best voor slaapproblemen in de overgang?

 

In het begin van de overgang krijgen veel vrouwen ineens te maken met slaapproblemen. Wat helpt? Daar is nog weinig over bekend. Francesca van Baarzel onderzoekt het effect van hormoonsuppletie, cognitieve gedagrastherapie en de combintaie van die twee in de studie Slapend door de menopauze. “Sommige vrouwen merken al na enkele weken behandeling dat ze beter gaan slapen. Uiteindelijk hoop ik dat vrouwen niet jarenlang hoeven rond te lopen met klachten voordat ze serieus worden genomen.”

Francesca van Baarzel (Amsterdam UMC / Nederlands Herseninstituut / VU Amsterdam) is psycholoog en doet promotieonderzoek naar slaap tijdens de perimenopauze (de periode voorafgaand aan de laatste menstutaie) in de studie Slapend door de Menopauze, onderdeel van het landelijke MenoPause Consortium.

Voor meer informatie over de verschillende fases van de overgang en waarom veel vrouwen juist tijdens de perimenopauze last krijgen van slapleoosheid: lees ook Waarom slapen veel vrouwen ineens zo slecht in de overgang? Hieronder vertelt ze meer over haar onderzoek.*

  1. Wat onderzoeken jullie precies?

“We weten op dit moment nog niet of slapeloosheid die tijdens de perimenopauze ontstaat hetzelfde is als slapeloosheid op andere momenten in het leven. Dat is precies wat we met dit onderzoek proberen uit te zoeken.

We onderzoeken welke behandeling het beste werkt voor vrouwen die juist tijdens de perimenopauze slapeloos worden: hormoontherapie, cognitieve gedragstherapie voor insomnie (CGCT-i) of een combinatie van beide.

Op dit moment staat cognitieve gedragstherapie voor insomnie in de richtlijn als eerste behandeling voor chronische slapeloosheid. Hormoontherapie wordt in Nederland volgens de richtlijnen vooral voorgeschreven bij vasomotore klachten, zoals opvliegers en nachtzweten. Welke behandeling het meest effectief is voor vrouwen die juist tijdens de perimenopauze slaapproblemen krijgen, weten we nog niet.”

  1. Waarom richten jullie je op vrouwen in de perimenopauze?

“Omdat juist over die fase nog verrassend weinig bekend is. Veel onderzoek naar slaap en de overgang is gedaan bij vrouwen die al postmenopauzaal zijn, terwijl slaapproblemen vaak al eerder beginnen, tijdens de perimenopauze.

Veel vrouwen gaan in deze periode voor het eerst slecht slapen. Tegelijkertijd herkennen vrouwen én artsen die klachten niet altijd meteen als overgangsklachten. Vrouwen menstrueren vaak nog (vaak al  onregelmatig) en er is geen duidelijke test waarmee je kunt vaststellen dat de overgang is begonnen. Daarom willen we beter begrijpen wat er in deze fase gebeurt.”

  1. Hoe ziet het onderzoek eruit?

“In totaal doen 220 vrouwen tussen de veertig en vijfenvijftig jaar mee aan het onderzoek. Het gaat om vrouwen met slaapproblemen die in de perimenopauze zitten en bijvoorbeeld last hebben van specifieke overgangsklachten, zoals opvliegers of nachtzweten, en bij wie de menstruatiecyclus onregelmatig begint te worden.

Na een intake in het OLVG worden de deelnemers willekeurig ingedeeld in een van de vier onderzoeksgroepen. Sommige vrouwen krijgen hormoontherapie, anderen cognitieve gedragstherapie en circadiane ritmetherapie voor insomnie (CGCT-i), weer anderen een combinatie van beide behandelingen. Er is ook een groep die geen behandeling krijgt. Deze controlegroep is heel belangrijk, omdat we de effecten van de behandelingen in de andere groepen daarmee kunnen vergelijken.

Het onderzoek duurt vijftien weken. Een week na de intake, na acht weken en na veertien weken zijn er verschillende meetmomenten. In die periode verzamelen we ontzettend veel gegevens. De deelnemers houden slaapdagboeken bij, vullen vragenlijsten in en dragen thuis verschillende meetapparaten, zoals een EEG voor hersenregistratie en een horloge waarmee we objectief opvliegers kunnen meten. Ook brengen we hun slaap-waakritme in kaart.

Uiteindelijk willen we niet alleen weten welke behandeling gemiddeld het beste werkt, maar ook welke vrouwen het meest gebaat zijn bij hormoontherapie, CGCT-i of een combinatie van beide.”

  1. Wat is het effect van hormoontherapie op slapeloosheid?

“Bij hormoontherapie gaat het in ons onderzoek om bio-identiek oestradiol in combinatie met progesteron. Van hormoontherapie weten we dat het goed helpt tegen vasomotore klachten, zoals opvliegers en nachtzweten,. Ook merken veel vrouwen dat ze met hormoontherapie beter slapen. Maar hoe werkt dat? Wij willen onderzoeken of hormoontherapie de slaap ook kan verbeteren los van de afname van vasomotore klachten.

Daarover is nog veel onduidelijk. Onderzoeken laten verschillende resultaten zien. Dat kan onder meer komen doordat in studies verschillende vormen van hormoontherapie worden onderzocht, bijvoorbeeld synthetische of bio-identieke hormonen en orale of transdermale toediening. Ook wordt slaap op verschillende manieren gemeten, met vragenlijsten, slaapdagboeken of polysomnografie. Bovendien maakt het uit of je vrouwen in de peri- of postmenopauzale fase onderzoekt.”

  1. En hoe werkt cognitieve gedragstherapie en circadiane ritmetherapie voor insomnie?

“Cognitieve gedragstherapie voor insomnie richt zich op de gedachten, verwachtingen en gedragingen die met slapeloosheid samenhangen. Daarnaast bevat de behandeling veel psycho-educatie over slaap en het slaap-waakritme. Het doel is om patronen die slapeloosheid in stand houden te doorbreken. Dit combineren we met circadian ritme (CT) therapie om de biologische klok beter te reguleren. Bijvoorbeeld door het slim inzetten van licht, beweging, en temperatuursschommelingen.

We weten dat cognitieve gedragstherapie een effectieve behandeling is voor chronische slapeloosheid, maar het is nog onduidelijk hoe groot het effect is bij slapeloosheid tijdens de perimenopauze.”

  1. Als de aanleiding hormonaal is, waarom kan cognitieve gedragstherapie dan toch helpen?

“Het kan best zijn dat hormonale schommelingen de slapeloosheid uitlokken, maar dat betekent niet automatisch dat hormoontherapie voor iedereen de beste oplossing is.

Slapeloosheid kan acuut ontstaan, bijvoorbeeld door pijn of hormonale schommelingen, en daarna chronisch worden doordat andere factoren de klachten in stand houden. Je kunt je bijvoorbeeld zorgen gaan maken of je wel genoeg slaapt. Daardoor ontstaat stress, ga je meer piekeren en wordt het vaak nog lastiger om te slapen. Met cognitieve gedragstherapie probeer je juist die instandhoudende factoren te doorbreken.

Tegelijkertijd lijkt dat niet bij iedere vrouw het hele verhaal te zijn. Er zijn ook vrouwen die niet piekeren en die weinig stress ervaren, maar wel een soort hyperarousal voelen: hun lichaam lijkt voortdurend ‘aan’ te staan. Dat verschijnsel vind ik heel interessant:

  1. Zijn sommige vrouwen gevoeliger voor hormoonschommelingen dan anderen?

“Het zou kunnen dat er zoiets bestaat als hormoonsensitiviteit: dat sommige vrouwen sterker reageren op veranderingen in hormoonspiegels dan andere. We weten nog niet precies waardoor dat komt. Misschien hebben juist die vrouwen meer baat bij hormoontherapie.

Daarom richten we ons in dit onderzoek niet alleen op welke behandeling gemiddeld het beste werkt, maar proberen we ook beter te begrijpen waarom de ene vrouw anders reageert dan de andere. We kijken ook goed naar iemands voorgeschiedenis. Hadden vrouwen eerder in hun leven al hormoongerelateerde klachten, bijvoorbeeld tijdens de menstruatiecyclus, een zwangerschap of in de periode na een bevalling? Ook aandoeningen als PMS en PMDD zouden daar mogelijk iets over kunnen zeggen. Hopelijk kunnen we uiteindelijk voorspellen welke behandeling het beste bij welke vrouw past.”

  1. Hoe past jullie studie binnen het bredere onderzoek naar slaap en de overgang?

“Er is nog maar weinig onderzoek gedaan naar de vraag welke behandeling het beste werkt bij slaapproblemen tijdens de perimenopauze. Een van de studies die hier wel naar kijkt, loopt in Bern, in Zwitserland, van Petra Stute en Serena Lozza-Fiacco. Zij vergelijken hormoontherapie rechtstreeks met cognitieve gedragstherapie voor insomnie bij 54 vrouwen in de late perimenopauze. De deelnemers krijgen hormoontherapie, cognitieve gedragstherapie of alleen adviezen over slaaphygiëne.

Ons onderzoek is groter, met 220 deelnemers, en we hebben daarnaast een vierde groep waarin vrouwen een combinatie van hormoontherapie en cognitieve gedragstherapie krijgen.

Ons onderzoek maakt deel uit van het landelijke MenoPause Consortium. Daarbinnen lopen verschillende studies naar de invloed van de overgang op de mentale en lichamelijke gezondheid van vrouwen, bijvoorbeeld op botten en het hart- en vaatstelsel. Uiteindelijk willen we niet alleen meer kennis verzamelen, maar die kennis ook vertalen naar de maatschappij en de zorg.”

  1. Wat is jouw rol binnen dit onderzoek?

“Ik ben de promovendus op dit project en ben bij bijna alle onderdelen van het onderzoek betrokken. Vanaf het begin heb ik meegedacht over het protocol, het onderzoeksdesign en de praktische opzet van de studie.

We werken binnen het team nauw samen om de studie spoedig te laten verlopen. Zo houd ik me bijvoorbeeld bezig met logistiek en ethische procedures die nodig zijn om het onderzoek uit te voeren. De deelnemers komen één keer naar het ziekenhuis voor een intake en daar ben ik regelmatig ook bij.

Ook begeleid ik, samen met mijn collega’s, de cognitieve gedragstherapie voor insomnie. Dat is een online behandeling, maar wel met begeleiding van een therapeut.

Verder houden we de data in de gaten, controleren we de kwaliteit van de metingen, beheren we de masterfiles en zorgen we ervoor dat deelnemers op tijd herinneringen krijgen. Juist die afwisseling maakt het werk zo leuk.”

  1. Wat vind je lastig aan dit onderzoek?

“Het is niet per se een lastig, maar wel een groot onderzoek. Er zijn veel dingen waar je tegelijkertijd aan moet denken.

Een van de uitdagingen is dat de vrouwen die wij onderzoeken nog een cyclus hebben, maar die is vaak onregelmatig. Dat maakt het ingewikkeld om de behandelingen goed te timen. Je wil de hormoontherapie laten meeliften op iemands cyclus, maar bij de ene vrouw begin je een week eerder en bij de andere een week later. Ook de CGCT-i moet goed worden ingepland. Dat kan echt een puzzel zijn.

Daarnaast hebben we 220 deelnemers en vier verschillende onderzoeksgroepen. Daar komt veel logistiek bij kijken. En doordat we met medicatie werken, moeten we ook aan allerlei wet- en regelgeving voldoen. Er zijn dus heel veel dingen waar je rekening mee moet houden.”

  1. En wat vind je het leukst?

“Eigenlijk twee dingen. Het interessantst vind ik het contact met de vrouwen zelf, al is wat ze vertellen vaak ook droevig. Ze vertellen me soms hun hele levensverhaal. Ik vind het bijzonder om te horen wat hen ertoe heeft gebracht om zich juist voor dit onderzoek aan te melden.

Voor sommige vrouwen is ons onderzoek een soort laatste strohalm. Sommigen barsten bij de intake in huilen uit, omdat ze al zo lang worstelen en het gevoel hebben dat niemand hen echt verder kan helpen. Ze slapen soms al jaren slecht, hebben van alles geprobeerd en komen niet verder bij de huisarts. Soms krijgen ze te horen: ‘Je menstrueert nog, dus het kan de overgang niet zijn.’

Dat heeft ook te maken met hoe de zorg nu is ingericht. Hormoontherapie wordt volgens de richtlijnen voorgeschreven bij opvliegers en nachtzweten, niet bij slapeloosheid. Cognitieve gedragstherapie voor insomnie geldt wel als eerste behandeling voor chronische slapeloosheid, maar daarvoor moeten vrouwen vaak worden doorverwezen en kunnen ze op lange wachtlijsten terechtkomen. Bovendien wordt behandeling van iemand die alleen chronische slapeloosheid heeft (primaire insomnie) niet vergoed door de zorgverzekeraar. Dat maakt het voor veel vrouwen moeilijk om de juiste hulp te krijgen.

Tegelijkertijd zie ik hoe snel vrouwen soms opknappen. Bij hormoontherapie merken sommigen al na één of twee weken verschil. Eén vrouw zei zelfs: ‘Ik heb nog nooit zoveel energie gehad in mijn leven.’ Ook bij cognitieve gedragstherapie zien we soms al na een paar sessies verbetering, maar het onderzoek loopt nog te kort om daar conclusies aan te verbinden.

Ik begrijp wel dat huisartsen uiteindelijk vaak slaapmedicatie voorschrijven als iemand keer op keer terugkomt en radeloos is. Maar dat is vaak geen oplossing voor de lange termijn en brengt risico’s mee, zoals afhankelijkheid van de medicatie.

Er zijn gelukkig ook vrouwen die zich ondanks hun slaapklachten nog redelijk redden, maar het is me heel duidelijk geworden hoe groot de behoefte aan hulp is. Daarom geeft het veel voldoening om dit onderzoek te doen.

Het is nog veel te vroeg om conclusies te trekken, maar na twee jaar bezig te zijn geweest met het opzetten van het onderzoek en het regelen van alle goedkeuringen, is het heel bijzonder om nu eindelijk te zien dat er echt iets gebeurt.”

  1. Wat hoop je dat er over vijf jaar veranderd is?

“Ik hoop dat we dan beter begrijpen waarom sommige vrouwen tijdens de perimenopauze slapeloosheid ontwikkelen en andere niet. Ik ben vooral benieuwd naar de rol van hormoonsensitiviteit en de biologische mechanismen die daarachter zitten. Als we daar meer over weten, kunnen we hopelijk ook beter voorspellen welke behandeling bij welke vrouw past.

Dat is belangrijk, want hormoontherapie is bijvoorbeeld niet voor iedereen geschikt. Soms heeft dat te maken met iemands medische voorgeschiedenis, soms wil een vrouw het zelf niet gebruiken. Dan wil je andere goede behandelopties kunnen bieden.

Wat ik daarnaast echt hoop, is dat slaapproblemen tijdens de overgang meer aandacht krijgen in richtlijnen en in de klinische praktijk. Er zijn veel vrouwen die hiermee worstelen, terwijl er nog weinig onderzoek naar is gedaan en de zorg beperkt is.

Ik zou ook graag zien dat er meer goede informatie beschikbaar komt over hormoontherapie. Er bestaan nog veel misverstanden en onterechte zorgen over de risico’s ervan. Uiteindelijk hoop ik vooral dat vrouwen sneller de juiste hulp krijgen en niet jarenlang hoeven rond te lopen met klachten voordat ze serieus worden genomen.”

Geschreven door Susanne de Joode, medisch journalist, in opdracht van de NSWO.

 

 

* Voor het onderzoek Slapend door de Menopauze worden nog deelnemers gezocht. Het onderzoek richt zich op vrouwen tussen de 40 en 55 jaar die last hebben van slaapproblemen tijdens de perimenopauze.

Meer informatie en aanmelden kan via:
slaapregister-menopauze.nl/slapend-door-de-menopauze

 

 

 

Referenties:

https://demenopauzespecialist.nl/wp-content/uploads/2022/07/75_De-overgang_juni-2022-1-NHG-standaard-nieuw.pdf

Pan, Z., Wen, S., Qiao, X., Yang, M., Shen, X., & Xu, L. (2022). Different regimens of menopausal hormone therapy for improving sleep quality: a systematic review and meta-analysis. Menopause (New York, NY), 29(5), 627.

https://insomnie.nl/oorzaken-van-slapeloosheid/

Stute, P., Pavicic, E., Schulze-Wundling, K., Kutsojannis, H., Green, S. M., & Theis, S. (2026). Effectiveness of a digital cognitive behavioral therapy application for vasomotor symptoms in menopausal women: An open-label pilot randomized controlled trial. Maturitas, 109090.

https://menopauseconsortium.org

23 september 2026

Meer artikelen over slaap: